De travalje in Haamstede

Elk dorp of stad op Schouwen-Duiveland had vroeger een travalje. Ze zijn onlosmakelijk verbonden met de volkscultuur. Een travalje is een uit hout en ijzer vervaardigde open constructie, waarin een paard werd vastgezet tijdens het beslaan. Zo kon de hoefsmid geen trap van het paard krijgen en kon het dier ook niet weglopen. De travalje hoorde bij de nabijgelegen smederij. Als er veel paarden in de omgeving waren, was er vaak een dubbele travalje zoals in Burgh-Haamstede.


Open Monumentendag en Ring­promotion­dagen

Tijdens iedere Open Monumentendag zorgt de Stichting Monumenten ervoor dat er paarden worden beslagen in de travaljes die de stichting beheert. Ook tijdens de Ring­promotion­dagen in het zomerseizoen worden in de travalje van Haamstede paarden beslagen.


Meestal stond de openluchthoefstal buiten, maar die van dorpssmidse Kees Gilijamse in Haamstede stond binnen. Gilijamse verkocht de smidse in 1932 aan Leen Giljam. Dorpssmid Giljam vroeg in 2 juni 1944 vergunning aan om een hoefstal voor paarden buiten te bouwen op het perceel aan de ring voor zijn smederij. De begrote aanneemsom was toen ƒ 450,. Daarbij vroeg Giljam aan de burgemeester toestemming het stuk gemeenteterrein voor zijn smederij te huren in verband met de daarop aan te brengen nieuwe travalje.

De burgemeester van Haamstede had niet veel bedenktijd nodig. Hij verleende al vrij snel, ruim 1,5 maand na de aanvraag, de bouwvergunning voor een dubbele travalje met dak met een hoogte van maximaal 3,20 meter. Ook mocht Giljam het stuk gemeenteterrein huren voor ƒ 16,50 per jaar. Verdere voorwaarden waren dat dorpssmid Giljam de openluchthoefstal alleen zou gebruiken voor het doel waarvoor deze was bestemd. Voorts mochten er geen voorwerpen op het terrein worden opgeslagen, geen reclame uitingen worden aangebracht en het terrein moest schoon worden gehouden.

De travalje in 1962. Incidenteel werden koeien zo geholpen aan vergroeide hoeven of ontstekingen.

Honderden paardenvoeten zijn er bekapt en beslagen. Voor 1915 hadden de boeren veelal paarden van het ouderwetse Schouwse type, die koffiebruin van kleur waren. Na 1915 werd in de Westhoek meer met hengsten van het Belgische paardenras gefokt, een zwaarder koudbloed trekpaard met een gewicht van soms wel boven de 1.000 kg. De hoeven van deze trekpaarden zijn groter en in verhouding meestal minder sterk dan die van rijpaarden. Het werk moest nauwkeurig gebeuren, zonder gevaar voor het paard en zonder overbelasting van de hoefsmid. Sinds 1959 werd het vak uitgeoefend door dorpssmid P.C. Kloet. Hij woonde toen op de hoek van de Ooststraat - Ring.